't Is maar een Gedacht

Een gedacht over alles (maar vooral over politiek).

Publieke ruimte en onverdraagzaamheid

Tijdens een treinrit een tijdje geleden stapte onlangs iemand op die muziek aan het luisteren was. Dat gebeurt wel nog, hoor ik je denken, maar de persoon in kwestie had de telefoon op speakerstand staan: de medepassagiers mochten meegenieten. De stilte in de wagon werd verbroken door het schelle geluid van een door de telefoon vervormde stem. Meerdere medereizigers en, ik geef toe, ikzelf ook, rolden eens met de ogen. Dat zette mij aan het denken: ben ik nu zo’n onverdraagzaam persoon geworden? Als iemand muziek luistert op speaker terwijl hij in de auto zit blijven de ogen steevast op hun plaats, waarom zou dat in de trein dan niet kunnen? Het verschil ligt hem natuurlijk in het feit dat je een wagon met andere passagiers deelt, en dat daar nu eenmaal ongeschreven regels gelden.

De gemiddelde Vlaming heeft vaak een sterke mening over publieke ruimte. Denk dan aan de NIMBY die niet wil dat het nabij gelegen pleintje een speelplein krijgt, of de onvermijdelijke Facebookpost in de “Je bent van … als je”-groep wanneer een picknickbankje nog na zonsondergang wordt gebruikt. Het is duidelijk: publieke ruimte wordt aangemoedigd, maar niet te dichtbij, niet te luid, met niet te veel en binnen de juiste leeftijdsgrenzen.

De typisch visie op publieke ruimte is dus dat die nodig is, maar zoveel mogelijk te vermijden. Waarom de trein nemen als je met de auto kan? Wie gaat nog naar het openbare zwembad als je er eentje in je achtertuin hebt liggen? De schommel op het speelplein is leuk, maar investeren we toch niet beter in zo’n speeltuig voor onszelf? Dé verbindende factor tussen al die voorbeelden? Het recht om publieke ruimte links te laten liggen, kost geld. Wie minder middelen heeft, is vaak tot die publieke ruimte veroordeeld. En door de schaarste van die publieke ruimte loopt wie die nodig heeft elkaar al snel in de weg. Net daarom zijn er die ongeschreven regels.

Enter de persoon die deze ongeschreven regels niet kent. De achttienjarige die toch nog graag op het speelpleintje vertoeft, de vriendengroep die graag een pintje drinkt op de picknickbank of de treinreiziger die liever zonder hoofdtelefoon naar zijn muziek luistert. Die persoon komt zonder slechte bedoelingen in het vaarwater van de andere gebruiker van de publieke ruimte. En dan ergeren we ons aan elkaar: ik omdat ik uw muziek niet wil horen, u omdat ik met mijn ogen rol. Wij, die tot deze publieke ruimte zijn veroordeeld, zijn dat ook tot elkaar. En dat kan botsen.

Ik ben overtuigd dat ik tot nog toe geen grote gedachtesprongen heb gemaakt in deze tekst. Als ik dat wel deed, laat je dan gerust horen. Sta me toe nu toch eens mentaal te springen: is er een link tussen de nood van hen zonder financiële middelen om publieke ruimte te gebruiken en extreemrechts stemgedrag? Een stevige sprong, ik besef het, dus laat me die eens toelichten.

We weten dat, wie extreemrechts stemt, vaak minder hoog opgeleid is. Da’s voor alle duidelijkheid geen waardeoordeel: net als iedere democraat ben ik van de overtuiging dat iedere stem evenwaardig is, en dat ook mensen met een lager opleidingsniveau richting hun gedroomde samenleving moeten kunnen stemmen. We weten ook dat mensen met een migratieachtergrond dit kenmerk delen, zeker hen uit de eerste generatie. Een laag opleidingsniveau leidt in een kenniseconomie zoals de onze grosso modo tot een lager inkomen. En, zoals reeds besproken, leidt een lager inkomen tot gebruik van de publieke ruimte. Ik besef dat ik er in deze alinea even met de grove borstel door ging, maar ik hoop dat ik u met geen van deze aannames tegen de borst heb gestoten. Geen enkel individu is één op één te verbinden met de kenmerken van hun groep.

Dat deze twee groepen veroordeeld zijn tot de publieke ruimte, en dus ook tot elkaar, doet me de vraag stellen of er een oorzakelijk verband zou kunnen zijn. Zorgen de botsingen die onlosmakelijk verbonden zijn met het gebruik van de publieke ruimte, op hun beurt voor onverdraagzaamheid, discriminatie en uiteindelijk extreemrechts stemgedrag?

Dat is, voor alle duidelijkheid, geen omfloerste manier om te zeggen dat er een verband is. Ik stel me de vraag. ’t Is maar een gedacht, en ik zou er uitzonderlijk graag met u over discussiëren.

Posted in

Plaats een reactie